DE OPENBARING AAN JOHANNES

pagina elf

De שְׁאוֹל (sjeool) staat niet enkel aan het biologische levenseinde. Hij wordt weliswaar een onverzadiglijk monster genoemd:

Spreuken 27:20

שְׁאֹ֣ול וַ֭אֲבַדֹּה לֹ֣א תִשְׂבַּ֑עְנָה וְעֵינֵ֥י הָ֝אָדָ֗ם לֹ֣א תִשְׂבַּֽעְנָה׃

"Het dodenrijk en het verderf worden niet verzadigd; zo worden ook de ogen van de mens niet verzadigd."

Jesaja 5:14

לָכֵ֗ן הִרְחִ֤יבָה שְּׁאֹול֙ נַפְשָׁ֔הּ וּפָעֲרָ֥ה פִ֖יהָ לִבְלִי־חֹ֑ק וְיָרַ֨ד הֲדָרָ֧הּ וַהֲמֹונָ֛הּ וּשְׁאֹונָ֖הּ וְעָלֵ֥ז בָּֽהּ׃

"Daarom heeft het dodenrijk zijn keel wijd opengesperd en zijn mond grenzeloos opengedaan; daarin daalt neer haar luister, haar menigte, haar gedruis en wie in haar uitbundig vrolijk is."

met een gapende, allesverslindende mond. Hij verslindt goede en kwade tezamen.
Maar de nadruk ligt meestentijds op de mensen die naar de שְׁאוֹל afdalen.
Goeden en kwaden ondergaan dit lot:

Prediker 9:3

זֶ֣ה ׀ רָ֗ע בְּכֹ֥ל אֲשֶֽׁר־נַעֲשָׂה֮ תַּ֣חַת הַשֶּׁמֶשׁ֒ כִּֽי־מִקְרֶ֥ה אֶחָ֖ד לַכֹּ֑ל וְגַ֣ם לֵ֣ב בְּֽנֵי־הָ֠אָדָם מָלֵא־רָ֨ע וְהֹולֵלֹ֤ות בִּלְבָבָם֙ בְּחַיֵּיהֶ֔ם וְאַחֲרָ֖יו אֶל־הַמֵּתִֽים׃

"Dit is een kwaad bij alles wat plaatsvindt onder de zon: dat allen één en hetzelfde lot treft. Ook is het hart van de mensenkinderen vol kwaad en is er dwaasheid in hun hart tijdens hun leven, en daarna gaat het naar de doden."

het doet er niet toe wat ze doen, ze moeten 'daarna naar de doden.'
Uit dit alles moge blijken dat de שְׁאוֹל in de Hebreeuwse bijbel niet een plaats van vergelding in zedelijke zin is. In het geval van de koning van Babel, Jesaja 14, wordt er veeleer gesproken op een toon van 'dat heb je er nu van.'
Maar ook rechtvaardigen moeten sterven, en dat wordt ervaren als bitter en beangstigend.
In zoverre is er continuïteit tussen de 'doodssfeer,' een leven waarin God niet wordt geloofd, en het dodenrijk, waar de doden afgesneden zijn van God.

Heel deze hierboven geschetste inhoud van het begrip שְׁאוֹל wordt kwalijk gedekt door het woord ᾅδης (hades) in de Septuaginta en in het Nieuwe Testament. Dat komt omdat er twee ideeën in het spel kwamen:

Het opstandingsgeloof - eerste tekst in de Hebreeuwse bijbel:

Daniël 12:2

וְרַבִּ֕ים מִיְּשֵׁנֵ֥י אַדְמַת־עָפָ֖ר יָקִ֑יצוּ אֵ֚לֶּה לְחַיֵּ֣י עֹולָ֔ם וְאֵ֥לֶּה לַחֲרָפֹ֖ות לְדִרְאֹ֥ון עֹולָֽם׃

"En velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen."

Het onsterfelijkheidsgeloof - niet in de Hebreeuwse bijbel.

Het verblijf in de שְׁאוֹל, genoemd het בֵּ֥ית עֹולָמֹ֖ו  (bet 'olamo) in Prediker 12:5, wordt nu beperkt:

Prediker 12:5

גַּ֣ם מִגָּבֹ֤הַּ יִרָ֨אוּ֙ וְחַתְחַתִּ֣ים בַּדֶּ֔רֶךְ וְיָנֵ֤אץ הַשָּׁקֵד֙ וְיִסְתַּבֵּ֣ל הֶֽחָגָ֔ב וְתָפֵ֖ר הָֽאֲבִיֹּונָ֑ה כִּֽי־הֹלֵ֤ךְ הָאָדָם֙ אֶל־בֵּ֣ית עֹולָמֹ֔ו וְסָבְב֥וּ בַשּׁ֖וּק הַסֹּפְדִֽים׃

"...wanneer men ook vreest voor de hoogte en verschrikkingen op de weg zijn, de amandelboom bloeit, de sprinkhaan zichzelf tot een last wordt en de kapperbes niet meer helpt – want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers gaan rond op de straat."

We zien in het Jodendom een tendens dat de שְׁאוֹל voor de vromen een tussenfase is.
Dat geldt ook voor de goddelozen, maar voor hen is het verblijf al een straf, een voorfase van de eeuwige verlorenheid. De שְׁאוֹל wordt pas na het eindgericht de plaats van de eeuwige verdoemenis.

In de שְׁאוֹל is er dus een duidelijke scheiding tussen de afdeling van de rechtvaardigen en die van de goddelozen. Van deze rabbijnse traditie heeft Jezus Christus gebruikgemaakt:

Lucas 16:23-26

καὶ ἐν τῷ ᾅδῃ ἐπάρας τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ, ὑπάρχων ἐν βασάνοις, ὁρᾷ Ἀβραὰμ ἀπὸ μακρόθεν καὶ Λάζαρον ἐν τοῖς κόλποις αὐτοῦ. καὶ αὐτὸς φωνήσας εἶπεν· πάτερ Ἀβραάμ, ἐλέησόν με καὶ πέμψον Λάζαρον ἵνα βάψῃ τὸ ἄκρον τοῦ δακτύλου αὐτοῦ ὕδατος καὶ καταψύξῃ τὴν γλῶσσάν μου, ὅτι ὀδυνῶμαι ἐν τῇ φλογὶ ταύτῃ. εἶπεν δὲ Ἀβραάμ· τέκνον, μνήσθητι ὅτι ἀπέλαβες τὰ ἀγαθά σου ἐν τῇ ζωῇ σου, καὶ Λάζαρος ὁμοίως τὰ κακά· νῦν δὲ ὧδε παρακαλεῖται, σὺ δὲ ὀδυνᾶσαι. καὶ ἐν πᾶσι τούτοις μεταξὺ ἡμῶν καὶ ὑμῶν χάσμα μέγα ἐστήρικται, ὅπως οἱ θέλοντες διαβῆναι ἔνθεν πρὸς ὑμᾶς μὴ δύνωνται, μηδὲ ἐκεῖθεν πρὸς ἡμᾶς διαπερῶσιν.

"En toen hij in de Hades zijn ogen opsloeg, waar hij in pijnigingen was, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot. En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u over mij en zend Lazarus, opdat hij de top van zijn vinger in water dope en mijn tong verkoele, want ik lijd smart in deze vlam. Doch Abraham zeide: Kind, herinner u, hoe gij het goede tijdens uw leven hebt ontvangen en evenzo Lazarus het kwade; nu wordt hij hier vertroost, doch gij lijdt smart. En bij dit alles, er is tussen ons en u een grote kloof gevestigd, opdat zij, die vanhier tot u willen overgaan, dit niet zouden kunnen, en men vandaar niet tot ons zou kunnen oversteken."

Daar staat dat het vanuit de Hades mogelijk is de Schoot van Abraham te zien. Daartussen is een grote kloof (vers 26).
In 1 Henoch 22:1-4 lezen we over de waterbron in de afdeling van de rechtvaardigen. De rijke vrek vraagt naar water, volgens Lucas 16:24.

1 Henoch 22:1-4 (Apocrief)

"En vandaar ging ik naar een andere plaats, en hij toonde mij in het westen een grote en hoge berg en een harde rots en vier diepe plaatsen. En de binnenste plaatsen ervan waren diep, wijd en uiterst glad... En Rafaël, een van de heilige engelen die bij mij was, antwoordde mij en zeide: 'Deze holle plaatsen zijn er met het doel dat de geesten van de zielen der doden zich daarin verzamelen... tot op de dag van hun gericht.'... Daar is een bron van water, en er is licht daarboven."

Meer Apocriefe en Nieuw-Testamentische teksten



Iets over mijzelf

Na een dertigjarig predikantschap in verschillende lutherse kerkgemeenten kan ik mijzelf karakteriseren als voorganger en voorzanger

Het voorzangerschap kreeg er in Dordrecht een dimensie bij: mijn plaats als cantor in de Interkerkelijke Schola Cantorum Dordrecht e.o.. Door mijn initiatief is dit gregoriaanse koor in 1984 opgericht.