DE OPENBARING AAN JOHANNES

pagina twaalf

Bij dit onderzoek moet ook betrokken worden: גֵּיא־הִנֹּם, dat een afkorting is van גֵּיא בֶן־הִנֹּם, 2 Koningen 23:10 (in qere).

2 Koningen 23:10

וְטִמֵּא אֶת־הַתֹּפֶת אֲשֶׁר בְּגֵי בֶן־הִנֹּם לְבִלְתִּי לְהַעֲבִיר אִישׁ אֶת־בְּנוֹ וְאֶת־בִּתּוֹ בָּאֵשׁ לַמֹּלֶךְ׃

"En hij verontreinigde Tofet, dat in het dal van de zonen van Hinnom ligt, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter door het vuur voor de Moloch zou laten gaan."

Dit zogenaamde Hinnomdal komt voor in geografische berichten: Jozua 15:8 en Jozua 18:16.

Jozua 15:8

וְעָלָה הַגְּבוּל גֵּי בֶן־הִנֹּם אֶל־כֶּתֶף הַיְבוּסִי מִנֶּגֶב הִיא יְרוּשָׁלָ͏ִם וְעָלָה הַגְּבוּל אֶל־רֹאשׁ הָהָר אֲשֶׁר עַל־פְּנֵי גֵי־הִנֹּם יָמָּה אֲשֶׁר בִּקְצֵה עֵמֶק־רְפָאִים צָפוֹנָה׃

"Vervolgens liep de grens op door het dal van de zoon van Hinnom naar de zuidelijke flank van de Jebusiet, dat is Jeruzalem; daarna liep de grens op naar de top van de berg die tegenover het dal van Hinnom aan de westzijde ligt, aan het noordelijke uiteinde van het dal der Refaïeten."

Jozua 18:16

וְיָרַד הַגְּבוּל אֶל־קְצֵה הָהָר אֲשֶׁר עַל־פְּנֵי גֵּי בֶן־הִנֹּם אֲשֶׁר בְּעֵמֶק רְפָאִים צָפוֹנָה וְיָרַד גֵּי הִנֹּם אֶל־כֶּתֶף הַיְבוּסִי נֶגְבָּה וְיָרַד עֵין רֹגֵל׃

"En de grens daalde af naar het uiteinde van de berg die tegenover het dal van de zoon van Hinnom ligt, in het dal der Refaïeten naar het noorden; zij liep omlaag naar het dal van Hinnom, naar de zuidzijde van de flank der Jebusieten, en daalde af naar En-Rogel."

Vervolgens lezen we in 2 Koningen 23:10 dat koning Josia, toen hij met zijn reformatiearbeid doende was, het Hinnomdal 'ontheiligde' (טמא in pi'el: וְטִמֵּא), d.w.z. onttrok aan sacraal gebruik.
Omdat koning Achaz begonnen was met het brengen van kinderoffers aan de Moloch, sprak de Heer een vloek uit over dit dal: 2 Koningen 16:3 en 24:4.

2 Koningen 16:3

וַיֵּלֶךְ בְּדֶרֶךְ מַלְכֵי יִשְׂרָאֵל וְגַם אֶת־בְּנוֹ הֶעֱבִיר בָּאֵשׁ כְּתֹעֲבוֹת הַגּוֹיִם אֲשֶׁר הוֹרִישׁ יְהוָה אֹתָם מִפְּנֵי בְּנֵי יִשְׂרָאֵל׃

"Hij wandelde op de weg van de koningen van Israël, ja, liet zelfs zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenvolken die de HEERE voor de ogen van de Israëlieten verdreven had."

2 Koningen 24:4

וְגַם דַּם־הַנָּקִי אֲשֶׁר שָׁפָךְ וַיְמַלֵּא אֶת־יְרוּשָׁלַ͏ִם דָּם נָקִי וְלֹא־אָבָה יְהוָה לִסְלֹחַ׃

"En ook wegens het onschuldige bloed dat hij vergoten had, want hij had Jeruzalem gevuld met onschuldig bloed; en de HEERE wilde het niet vergeven."

De slachtoffers van de inval door de Babyloniërs zullen daar begraven worden, lezen we in Jeremia 7:31-32.
Tofeth heet dan niet meer het dal van Hinnom, maar moorddal.

Jeremia 7:31-32

וּבָנוּ בָּמוֹת הַתֹּפֶת אֲשֶׁר בְּגֵיא בֶן־הִנֹּם לִשְׂרֹף אֶת־בְּנֵיהֶם וְאֶת־בְּנֹתֵיהֶם בָּאֵשׁ אֲשֶׁר לֹא צִוִּיתִי וְלֹא עָלְתָה עַל־לִבִּי׃ לָכֵן הִנֵּה־יָמִים בָּאִים נְאֻם־יְהוָה וְלֹא־יֵאָמֵר עוֹד הַתֹּפֶת וְגֵיא בֶן־הִנֹּם כִּי אִם־גֵּיא הַהֲרֵגָה וְקָבְרוּ בְתֹפֶת מֵאֵין מָקוֹם׃

"En zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, dat in het dal van de zoon van Hinnom ligt, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden, wat Ik niet geboden heb en in Mijn hart niet is opgekomen. Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat er niet meer gezegd zal worden: Tofet of dal van de zoon van Hinnom, maar Moorddal; en zij zullen in Tofet begraven bij gebrek aan plaats."

Een echo hiervan is Jeremia 19:6.

Jeremia 19:6

לָכֵן הִנֵּה־יָמִים בָּאִים נְאֻם־יְהוָה וְלֹא־יִקָּרֵא לַמָּקוֹם הַזֶּה עוֹד הַתֹּפֶת וְגֵיא בֶן־הִנֹּם כִּי אִם־גֵּיא הַהֲרֵגָה׃

"Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat deze plaats niet meer genoemd zal worden Tofet of dal van de zoon van Hinnom, maar Moorddal."

Over het begraven worden in Tofeth spreekt Jeremia 19:11.

Jeremia 19:11

וְאָמַרְתָּ אֲלֵיהֶם כֹּה־אָמַר יְהוָה צְבָאוֹת כָּכָה אֶשְׁבֹּר אֶת־הָעָם הַזֶּה וְאֶת־הָעִיר הַזֹּאת כַּאֲשֶׁר יִשְׁבֹּר אֶת־כְּלִי הַיּוֹצֵר אֲשֶׁר לֹא־יוּכַל לְהֵרָפֵה עוֹד וּבְתֹפֶת יִקְבְּרוּ מֵאֵין מָקוֹם לִקְבּוֹר׃

"En u moet tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Zó zal Ik dit volk en deze stad breken, zoals men een pottenbakkersvat breekt, dat niet meer heel gemaakt kan worden; en men zal in Tofet begraven, omdat er geen plaats meer is om te begraven."

Waarom was het begraven worden in dit dal Tofeth zo erg? Omdat (waarschijnlijk sinds koning Achaz in dit dal een brandofferaltaar had geplaatst) Tofeth de plaats wordt waar de Heer zijn straffen volvoert.
Hier wordt dan een soort executieplaats bedoeld, compleet met vuur en zwavel, vgl. Jeremia 31:9.
Dat is het גֵּיא־הִנֹּם in de apocalyptiek. Hier past ook goed bij: Jesaja 66:24.

Jesaja 66:24

וְיָצְאוּ וְרָאוּ בְּפִגְרֵי הָאֲנָשִׁים הַפֹּשְׁעִים בִּי כִּי תוֹלַעְתָּם לֹא תָמוּת וְאִשָּׁם לֹא תִכְבֶּה וְהָיוּ דֵרָאוֹן לְכָל־בָּשָׂר׃

"En zij zullen de stad uit gaan en zien de dode lichamen van de mannen die tegen Mij in opstand zijn gekomen; want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen een afgrijzen zijn voor alle vlees."

Met deze tekst zijn we al aanbeland op de grens van het spreken over het eindoordeel.
De oudste plaatsen, in de Joodse apocriefen, waar het גֵּיא־הִנֹּם de plaats van de straf in de eindtijd is, zijn: 4 Esra 7:34-38, Henoch 90:26-27, Henoch 26:4, Apocalyps van Baruch 59:10 en Apocalyps van Baruch 85:13.

4 Esra 7:34-38

Et apparebit lacus tormenti, et contra illum erit locus requietionis; et clibanus gehennae ostendetur, et contra eam iucunditatis paradisus...

"En het meer der pyniging zal openbaar worden, en daartegenover de plaats der ruste; en de oven van Gehenna zal zich vertonen, en daartegenover het paradijs der vreugde..."

Henoch 90:26-27

ወርኢኩ በውእቱ ጊዜ ከመ ተከሥተ ከማሁ ጐድጕድ በማእከላ ለምድር ምሉእ እሳት... ወአምጽእዎሙ ለእልኩ አባግዕ ዕውራን ወተኰነኑ ወተረክቡ ኀጥኣነ ወደየውዎሙ ውስተ ውእቱ ጐድጕድ ዘእሳት።

"En ik zag op dat tijdstip dat een gelijke kloof geopend werd te midden van de aarde, vol van vuur... en men bracht die verblinde schapen en zij werden geoordeeld en schuldig bevonden en in die vurige afgrond geworpen."

Henoch 26:4

καὶ εἶπον· διὰ τί ἡ γῆ αὕτη ἡ εὐλογημένη καὶ πᾶσα πλήρης δένδρων, αὕτη δὲ ἡ φάραγξ κεκατηραμένη ἐν μέσῳ αὐτῶν; τότε ἀπεκρίθη Ῥαφαήλ, εἷς τῶν ἁγίων ἀγγέλων... ἡ φάραγξ αὕτη ἡ κεκατηραμένη τοῖς κατηραμένοις ἐστὶν εἰς τὸν αἰῶνα...

"En ik zei: 'Waartoe dient dit gezegende land, dat geheel vol met bomen is, en dit vervloekte dal tussen hen in?' Toen antwoordde Rafaël, een van de heilige engelen... 'Dit vervloekte dal is voor hen die voor eeuwig vervloekt zijn.'"

Apocalyps van Baruch (2 Baruch) 59:10

ܘܦܘܡܗ̇ ܕܓܗܢܐ ܘܕܘܟܬܐ ܕܬܫܢܝܩ̈ܐ ܘܢܚܠܐ ܕܐܒܕܢܐ...

"De monding van Gehenna, de plaats van de straffen en het dal van het verderf werden hem getoond..."

Apocalyps van Baruch (2 Baruch) 85:13

ܡܛܠ ܕܥܒܪ̈ܬܐ ܥܒܪ̈ܢ ܘܡܬܚܒܠܢܝ̈ܬܐ ܚܒ̈ܠܢ... ܘܐܘܪܚܐ ܡܘܒܠܐ ܠܢܘܪܐ ܘܫܒܝܠܐ ܕܕܒܪ ܠܓܘܡܪ̈ܐ.

"Want wat voorbijgaat zal verdwijnen, en wat vergankelijk is zal vergaan... en de weg zal leiden naar het vuur en het pad naar de gloed van Gehenna."

Het betreft dan wel de strafplaats na het eindoordeel.



Iets over mijzelf

Na een dertigjarig predikantschap in verschillende lutherse kerkgemeenten kan ik mijzelf karakteriseren als voorganger en voorzanger

Het voorzangerschap kreeg er in Dordrecht een dimensie bij: mijn plaats als cantor in de Interkerkelijke Schola Cantorum Dordrecht e.o.. Door mijn initiatief is dit gregoriaanse koor in 1984 opgericht.