DE OPENBARING AAN JOHANNES
pagina dertien
Er is in het Jodendom een ontwikkeling aan te wijzen in de uitleg van
de term גֵּיא־הִנֹּם (Gehenna).
Maar in de teksten van het Oude Testament wordt duidelijk gesproken over
een gelijk lot van goddelozen en rechtvaardigen in שְׁאוֹל
(sjeool) .
Geleidelijk aan kwam in het denken over de opstanding een onderscheiding
op tussen het vertoeven van beide groepen in de שְׁאוֹל. Door combinatie
van het vergeldingsgeloof en het opstandingsgeloof, werd het verblijf
in de שְׁאוֹל voor de opstanding ook als een soort voorlopige vergelding
gezien.
Deze gedachtegang ligt ten grondslag aan Jezus' verhaal over de rijke
man en Lazarus in Lucas 16:19-31.
Lucas 16:19-26
Ἄνθρωπος δέ τις ἦν πλούσιος, καὶ ἐνεδιδύσκετο πορφύραν καὶ βύσσον εὐφραινόμενος καθ’ ἡμέραν λαμπρῶς. πτωχὸς δέ τις ὀνόματι Λάζαρος ἐβέβλητο πρὸς τὸν πυλῶνα αὐτοῦ εἱλκωμένος καὶ ἐπιθυμῶν χορτασθῆναι ἀπὸ τῶν πιπτόντων ἀπὸ τῆς τραπέζης τοῦ πλουσίου· ἀλλὰ καὶ οἱ κύνες ἐρχόμενοι ἐπέλειχον τὰ ἕλκη αὐτοῦ. ἐγένετο δὲ ἀποθανεῖν τὸν πτωχὸν καὶ ἀπενεχθῆναι αὐτὸν ὑπὸ τῶν ἀγγέλων εἰς τὸν κόλπον Ἀβραάμ· ἀπέθανεν δὲ καὶ ὁ πλούσιος καὶ ἐτάφη. καὶ ἐν τῷ ᾅδῃ ἐπάρας τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ, ὑπάρχων ἐν βασάνοις, ὁρᾷ Ἀβραὰμ ἀπὸ μακρόθεν καὶ Λάζαρον ἐν τοῖς κόλποις αὐτοῦ. καὶ αὐτὸς φωνήσας εἶπεν· πάτερ Ἀβραάμ, ἐλέησόν με καὶ πέμψον Λάζαρον ἵνα βάψῃ τὸ ἄκρον τοῦ δακτύλου αὐτοῦ ὕδατος καὶ καταψύξῃ τὴν γλῶσσάν μου, ὅτι ὀδυνῶμαι ἐν τῇ φλογὶ ταύτῃ. εἶπεν δὲ Ἀβραάμ· τέκνον, μνήσθητι ὅτι ἀπέλαβες τὰ ἀγαθά σου ἐν τῇ ζωῇ σου, καὶ Λάζαρος ὁμοίως τὰ κακά· νῦν δὲ ὧδε παρακαλεῖται, σὺ δὲ ὀδυνᾶσαι. καὶ ἐν πᾶσι τούτοις μεταξὺ ἡμῶν καὶ ὑμῶν χάσμα μέγα ἐστήρικται, ὅπως οἱ θέλοντες διαβῆναι ἔνθεν πρὸς ὑμᾶς μὴ δύνωνται, μηδὲ ἐκεῖθεν πρὸς ἡμᾶς διαπερῶσιν.
"Er was een rijk man, die gekleed ging in purper en fijn linnen en elke dag schitterend feestvierde. En een bedelaar, genaamd Lazarus, lag bij zijn poort, overdekt met zweren, en hij verlangde ernaar verzadigd te worden met wat van de tafel van de rijke man viel; maar zelfs de honden kwamen en likten zijn zweren. Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. Ook de rijke stierf en werd begraven. En toen hij in het dodenrijk zijn ogen opsloeg, waar hij in folteringen verkeerde, zag hij Abraham van verre en Lazarus in diens schoot. En hij riep: Vader Abraham, ontferm u over mij en stuur Lazarus, opdat hij de top van zijn vinger in water doopt en mijn tong verkoelt, want ik lijd smart in deze vlam. Maar Abraham zei: Kind, herinner u dat u het goede tijdens uw leven hebt ontvangen en Lazarus evenzo het kwade; nu wordt hij hier getroost, maar u lijdt smart. En bij dit alles is er tussen ons en u een grote kloof gevestigd, zodat zij die vanhier naar u zouden willen oversteken, dat niet kunnen, en men ook vandaar niet naar ons kan oversteken."
Er ontstonden verschillende meningen omtrent de opstanding. De woorden in Daniël 12 werden door iedereen als waar aangenomen, uitgezonderd de Sadduceeën.
Daniël 12:2
וְרַבִּ֕ים מִיְּשֵׁנֵ֥י אַדְמַת־עָפָ֖ר יָקִ֑יצוּ אֵ֚לֶּה לְחַיֵּ֣י עוֹלָ֔ם וְאֵ֥לֶּה לַחֲרָפ֖וֹת לְדִרְא֥וֹן עוֹלָֽם׃
"En velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen."
Maar de idee van de voorlopige zaligheid van de rechtvaardigen, tendeerde
naar uitwissen van het onderscheid tussen voorlopige en definitieve zaligheid,
en speelde de ontwikkeling van de leer der onsterfelijkheid van de ziel
in de kaart.
Hoe langer hoe meer rabbijnen gingen geloven, dat de zielen van de rechtvaardigen
na de dood naar het hemels paradijs overgebracht werden. Opstanding is
dan niet veel meer dan een hereniging met het lichaam; het tijdstip van
die opstanding is dan ook minder beslissend.
4 Ezra, de Baruch Apocalyps en het Nieuwe Testament zijn voor deze ontwikkeling
niet geporteerd. Toch kennen zij een koppeling tussen vergeldingsleer
en de toestand tussen sterven en opstanding van het vlees.
4 Ezra stelt, dat de zielen van de rechtvaardigen eerst (na hun dood)
zeven dagen hemelse vreugde genieten, maar daarna naar de שְׁאוֹל gaan,
om daar onder de beschutting van de engelen heel vredig te rusten in afwachting
van de opstanding.
Vierhonderd jaar voor die opstanding begint de periode van de Messias.
Daarna volgt een zevendaags zwijgen (de oerchaos), en dan de opstanding.
Ook de goddelozen vertoeven tot die tijd in de שְׁאוֹל, echter zeer oncomfortabel.
Pas na de opstanding worden ze naar het גֵּיא הִנֹּם verwezen, om hun definitieve
straf te ondergaan.
Voor 4 Ezra moet de samenstelling van een zevendaags hemelgenot en de
tussentoestand als anticipatie op de zaligheid, een alternatief zijn geweest
voor het hem niet aangename geloof in de onsterfelijkheid van de ziel.
Het boek Henoch is in deze materie niet duidelijk.
