DE OPENBARING AAN JOHANNES
pagina veertien
Bij alle onduidelijkheid is wel duidelijk, dat in het rabbijnse spraakgebruik
de bewaarplaats van de goddelozen גֵּיא־הִנֹּם
(Gehenna) werd genoemd. Dat spraakgebruik kwam al op in de eerste eeuw
voor Christus. Eind eerste eeuw na Christus werd hiervoor het woord שְׁאוֹל
(sjeool) nauwelijks meer gebruikt.
Nog later wordt גֵּיא־הִנֹּם gezien als purgatorium. Het
zou dan voor middelmatig-zedelijk geleefd hebbende mensen zelfs na het
eindgericht mogelijk zijn, om het גֵּיא־הִנֹּם te verlaten.
R. Aqiba (gest. 185) sprak van een louterend Gehenna-gericht van één
jaar. Verlossing daaruit was mogelijk, mits de achtergebleven verwanten
op aarde zich inspanden tot God het doen van gebeden en het geven van
aalmoezen.
Maar sommige booswichten zijn gedoemd om eeuwig in de Gehenna te blijven.
Daar worden ze omgeroerd als stukken vlees in een borrelende pot. Maar
op Sabbat rusten zij van hun pijn.
Volgens de vroege Joodse apocrifa zoals 4 Esra is er geen verlossing mogelijk vanuit het oord van de definitieve straf. Daarom is volgens die geschriften, wroeging de ergste geestelijke pijn.
Duisternis is het attribuut van de שְׁאוֹל, en vuur het attribuut van de
גֵּיא־הִנֹּם.
Vanwege de deelsgewijze versmelting van beide termen, kwamen vuur en duisternis
vreemd genoeg bij elkaar; zie Lucas 16: 24.
Lucas 16:24
καὶ αὐτὸς φωνήσας εἶπεν· Πάτερ Ἀβραάμ, ἐλέησόν με καὶ πέμψον Λάζαρον ἵνα βάψῃ τὸ ἄκρον τοῦ δακτύλου αὐτοῦ ὕδατος καὶ καταψύξῃ τὴν γλῶσσάν μου, ὅτι ὀδυνῶμαι ἐν τῇ φλογὶ ταύτῃ.
"En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u over mij en zend Lazarus, opdat hij de top van zijn vinger in water dope en mijn tong verkoele, want ik lijd pijn in deze vlam."
Maar daar gaat het toch feitelijk om de tussentoestand, de שְׁאוֹל. Evenwel hanteert Jezus daar het model van de vergelding. Ook de opstanding is voor hem gebonden aan het soort leven dat een mens geleefd heeft, Lucas 14: 14
Lucas 14:14
καὶ μακάριος ἔσῃ, ὅτι οὐκ ἔχουσιν ἀνταποδοῦναί σοι, ἀνταποδοθήσεται γάρ σοι ἐν τῇ ἀναστάσει τῶν δικαίων.
"en gij zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u te vergelden. Want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen."
woorden gesproken tot hen die onbaatzuchtig een maaltijd hebben aangericht voor armen en zieken. Deze tekst herinnert aan Daniel 12:2
Daniël 12:2
וְרַבִּים מִיְּשֵׁנֵי אַדְמַת־עָפָר יָקִיצוּ אֵלֶּה לְחַיֵּי עוֹלָם וְאֵלֶּה לַחֲרָפוֹת לְדִרְאוֹן עוֹלָם׃
"Velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen."
Heeft Jezus de tussentoestand op het oog, volgens Lucas 23: 43 ?
Lucas 23:43
καὶ εἶπεν αὐτῷ· Ἀμήν σοι λέγω, σήμερον μετ’ ἐμοῦ ἔσῃ ἐν τῷ παραδείσῳ.
"En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn."
De oudste kerkvaders zeggen dit, en vermelden erbij, dat hier aan de bewaarplaats van de vromen in de onderwereld gedacht moet worden.
Daar waar Jezus spreekt over de γέεννα (gehenna), denkt hij aan de eeuwige straf, Mattheus 5: 22 Mattheus 5: 29 - 30
Matteüs 5:22
ἐγὼ δὲ λέγω ὑμῖν ὅτι πᾶς ὁ ὀργιζόμενος τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ ἔνοχος ἔσται τῇ κρίσει· ὃς δ’ ἂν εἴπῃ τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ· Ῥακά, ἔνοχος ἔσται τῷ συνεδρίῳ· ὃς δ’ ἂν εἴπῃ· Μωρέ, ἔνοχος ἔσται εἰς τὴν γέενναν τοῦ πυρός.
"Maar Ik zeg u: Een ieder, die toornig is op zijn broeder, zal vervallen aan het gericht; wie tot zijn broeder zegt: Raka! zal vervallen aan de Hoge Raad; en wie zegt: Dwaas! zal vervallen aan het hellevuur [geënna]."
Matteüs 5:29-30
εἰ δὲ ὁ ὀφθαλμός σου ὁ δεξιὸς σκανδαλίζει σε, ἔξελε αὐτὸν καὶ βάλε ἀπὸ σοῦ· συμφέρει γάρ σοι ἵνα ἀπόληται ἓν τῶν μελῶν σου καὶ μὴ ὅλον τὸ σῶμά σου βληθῇ εἰς γέενναν. καὶ εἰ ἡ δεξιὰ σοῦ χεὶρ σκανδαλίζει σε, ἔκκοψον αὐτὴν καὶ βάλε ἀπὸ σοῦ· συμφέρει γάρ σοι ἵνα ἀπόληται ἓν τῶν μελῶν σου καὶ μὴ ὅλον τὸ σῶμά σου εἰς γέενναν ἀπέλθῃ.
"Indien dan uw rechteroog u tot zonde verleidt, ruk het uit en werp het van u, want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam in de hel [geënna] geworpen worde. En indien uw rechterhand u tot zonde verleidt, houw haar af en werp haar van u; want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam ter helle [geënna] vare."
Een parallelle tekst bij Marcus voegt er nog aan toe, dat in de γέεννα de worm niet sterft. Daarmee wordt de wroeging bedoeld; er is geen bekering meer mogelijk, Marcus 9: 48
Marcus 9:48
ὅπου ὁ σκώληξ αὐτῶν οὐ τελευτᾷ καὶ τὸ πῦρ οὐ σβέννυται.
"waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust."
Deze tekst is een regelrechte aanhaling van Jesaja 66: 24
Jesaja 66:24
וְיָצְאוּ וְרָאוּ בְּפִגְרֵי הָאֲנָשִׁים הַפֹּשְׁעִים בִּי כִּי תוֹלַעְתָּם לֹא תָמוּת וְאִשָּׁם לֹא תִכְבֶּה וְהָיוּ דֵרָאוֹן לְכָל־בָּשָׂר׃
"En zij zullen uittrekken en de lijken zien der mannen, die tegen Mij afvallig geworden zijn; want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet worden uitgeblust, en zij zullen een afgrijzen zijn voor alles wat leeft."
Iedere Jood kon zich daar iets bij voorstellen: het גֵּיא־הִנֹּם was
in de laatste eeuwen voor Christus de mestvaalt van Jeruzalem geworden.
Daar lagen kadavers van dieren en lijken van terechtgestelde te ontbinden
of te smeulen. Het dal werd een onaangenaam oord, waar altijd wel iets
lag te stinken of te verbranden.
Zo werd het onuitwisbare vuur de tegenhanger van de heilige stad waar
de Heer aanwezig was.
Dit apocalyptische motief zie je heel goed in de Apocalyps: Openbaring
21:8 Openbaring 21: 10
Openbaring 21:8
τοῖς δὲ δειλοῖς καὶ ἀπίστοις καὶ ἐβδελυγμένοις καὶ φονεῦσιν καὶ πόρνοις καὶ φαρμάκοις καὶ εἰδωλολάτραις καὶ πᾶσιν τοῖς ψευδέσιν τὸ μέρος αὐτῶν ἐν τῇ λίμνῃ τῇ καιομένῃ πυρὶ καὶ θείῳ, ὅ ἐστιν ὁ θάνατος ὁ δεύτερος.
"Maar voor de lafhartigen, de ongelovigen, de bezoedelden, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars is hun deel in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood."
Openbaring 21:10
καὶ ἀπήνεγκέν με ἐν πνεύματι ἐπὶ ὄρος μέγα καὶ ὑψηλόν, καὶ ἔδειξέν μοι τὴν πόλιν τὴν ἁγίαν Ἰερουσαλὴμ καταβαίνουσαν ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἀπὸ τοῦ θεοῦ,
"En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God,"
