Preken over teksten uit de klassieke lutherse pericopen
hiernaast kunt u een periode kiezen
De preken op deze website zijn gerangschikt volgens de klassieke lutherse indeling van het kerkelijk jaar. Kies een tijdvak in de lijst en klik op de knop.
Hieronder volgt een recent gehouden preek.
GODS VOORWETENSCHAP
EN ONZE
VERANTWOORDELIJKHEID
De verkondiging
op de Zesde Zondag na Trinitatis
‘Bewerkt met een huiver van eerbied
uw redding, want, het is God
die in u bewerkstelligt
dat u dat wilt
en dat ook bewerkt.
Dit is overeenkomstig
zijn welbehagen.
Filipp. 2:12
Veertien dagen geleden in de prediking: Gods alomtegenwoordigheid en
alziendheid, en dan nu:
Gods alwetendheid.
Een oud, klassiek woord hoort hierbij: Gods voorwetenschap. En daar zit
meer achter, in die oude leer.
Het wil ook zeggen: God heeft alles wat er gebeurt, al van tevoren besloten.
Hij wist het al.
En: niets gaat buiten zijn wil om.
Wat u zojuist hoorde, is de aloude leer die door vele kerkgangers – ook
nu nog – wordt aanvaard.
Het is van een ijzeren logica... . Ja toch, er is een god die almachtig,
alziende en alomtegenwoordig is.
Die god moet toch al wat gebeurt en gebeuren zal,
álles hebben voorzien en besloten?
Zullen we dan daar voortaan over zwijgen? Ons aansluiten bij moderne
kerkgangers? Die hebben afstand genomen van die logica. Zij claimen bescheiden
te zijn en zeggen: wij zwijgen, God is immers een mysterie.
In de praktijk hebben velen het geloof in God vaarwel gezegd of zijn het
gewoon kwijtgeraakt.
Alsof geloof een stukje kennis is dat je kunt wegdoen.
Het Hebreeuwse werkwoord dat staat voor weten, kennen, betekent het kennen van het hart
en met het hart: liefhebben.
‘Weten' is niet kennis in feitelijke zin. ‘Weten' is intieme omgang, volledig
vertrouwd zijn met. ‘Adam bekende Eva,’ Genesis 4:1, zo luidt de oude
vertaling. Deze intimiteit is vergelijkbaar met wat de Heer volgens Hosea
4 aan zijn volk verwijt:
‘Er is geen kennis,' en dat is de liefde voor God.
Wanneer bij moderne mensen die liefdekennis ontbreek, wat komt er dan
voor in de plaats?
Ik geef u een voorbeeld, iets wat vorig jaar in mijn woonplaats gebeurd
is.
Langs het Centraal Station loopt een brede straatweg, vier rijstroken.
Die ruimte nodigt veel gemotoriseerde weggebruikers uit, eens flink gas
te geven.
Máár, 500 meter voorbij het Station maakt die weg een bocht. In die bocht
ging een motorrijder onderuit en klapte tegen een boom. Op slag dood.
Wat zag ik een week later in het huis-aan-huis blad? Een overlijdensadvertentie
met de tekst:
‘Door een noodlottig ongeval is van ons heengegaan ... ... .'
Dat woord ‘noodlottig' bleef mij bezighouden.
Waarom staat dat daarbij?
Bedoelde de familie misschien: dat ongeval werd hem noodlottig? Maar,
dat wisten we al, dat blijkt uit de woorden: hij is van ons heengegaan.
Waarom schreven ze niet enkel: door een ongeval... ?
Nee, daar moest ‘noodlottig' bij.
Ik denk: zonder het te beseffen suggereerde de familie:
het kwam door het noodlot.
Nee, niet: eigen schuld. Nee, niet: te hard gereden.
Maar: het noodlot.
Het noodlot zou geen plaats mogen hebben in een christelijke levensstijl;
en ook niet in het spraakgebruik. Het heeft z'n wortels in de heidense
oudheid.
De klassieke Grieken waren van mening, dat het noodlot zelfs sterker was
dan de wil van de goden.
Maar hoe halen wij de sporen van de noodlotsgedachte weg uit onze christelijke
overtuiging?
Zeker, wij kunnen niet meer aanvaarden dat een vreselijk ongeluk door
God besloten is en dat het dus zijn wil is. Nee, dat willen en kunnen
wij niet aanvaarden.
Bijbelteksten, vroeger aangevoerd als bewijsplaats van Gods absolute wil,
leggen wij nu anders uit.
Sommige noemen we: tijdgebonden, of: weinig gezaghebbend.
Maar daarmee zijn we er niet.
De vraag blijft: wat is de wil van onze God, als het geen absolute wil
is?
Het woord absoluut betekent letterlijk: losgemaakt, los van welk schepsel
dan ook.
Zo is er de leer der uitverkiezing: God zou uit de mensheid een deel tot
de hemel bestemd hebben en een deel tot de hel bestemd hebben.
‘Uit de mensheid' – vager kan haast niet, maar ja, het betreft hier toch
Gods absolute wil?
Om u of mij persoonlijk gaat het niet, daar staan Gods absolute voorkennis
en wil boven; en zijn eigen eer.
Dit is nou net wat Gods alwetendheid en wil niet zijn.
Wist u dat God van Israël, de Vader van onze Heer Jezus Christus – dat
Hij berouw kan hebben?
Het is het duidelijkste in de Boeken van Israël die wij Oude Testament
noemen.
God is teleurgesteld dat Hij de mensen geschapen heeft, daarom komt die
alles verwoestende watervloed; maar Hij krijgt ook weer spijt van de zondvloed.
God wil, ook uit teleurstelling, zijn volk Israël tijdens de woestijntocht
wegvagen. Maar door het smeekgebed van Mozes laat Hij zich vermurwen.
Hij heeft spijt van de aanstelling van koning Saul, en geeft David het
koningschap.
God komt terug van zijn voornemen, de stad Ninevé te verwoesten, nadat
de inwoners berouw hadden.
Meer voorbeelden zijn er; en zeg nou niet: ja maar, dat berouw was al
door God ingecalculeerd, dat wist Hij al van tevoren.
Zo bederf je die prachtige teksten. Prachtige, want ze laten iets heel
moois zien. Het mooie van de God van het bijbelse Israël: dat Hij zo bewogen,
menselijk is.
Berouw: een beeld of uitdrukking, bedoeld om iets te zeggen over God,
over zijn liefdevolle relatie met ons.
Zo mag ook Gods alwetendheid nooit in concurrentie staan met zijn liefde.
Die concurentie is fataal voor een gezond vertrouwen.
Een alwetende, alles beslissende God tegenover wij mensen die dat maar
moeten slikken. Nee toch, daar zijn wij toch geen Kerk voor?
Natuurlijk zijn wij als Kerk een samenstel van kwetsbare mensen, met bepekte
kennis.
Kwetsbaar, stof; en wat zingt Psalm 103 ?
God is indachtig dat wij stof zijn.
Dit is pas een zinvolle invulling van Gods voorwetenschap. Indachtig: dat wil zeggen dat od er rekening mee houdt. Hij weet het van te voren, en toch vraagt hij ons, zijn medewerkers te zijn in de ontplooiing van zijn Koningsregering.
Medewerkers, samenwerkers met God!
Hier raken wij een gevoelige snaar bij de kerkgangers van strenge geloofsgenootschappen;
strenge, zoals hier op dit eiland.
Deze mensen vinden het maar niks, die uitdrukking: ‘medewerkers van God.'
Het begin van mijn studie was in Utrecht; daar kon je ook op doordeweekse
avonden een kerkdienst bijwonen, in kleine reformatorische kerken zonder
predikant.
Op zo'n avond luisterde ik naar een gastpredikant die met stemverheffing
het volgende de kerk in slingerde:
‘Wij mensen kunnen niets aan onze zaligheid toedoen, nog geen nagelschraapseltje.
Het is allemaal genade.'
Hier heb je een kwalijk uitvloeisel van de leer der voorbeschikking, de
uitverkiezing.
Genade is kennelijk iets dat uitgedeeld wordt aan de uitverkorenen...
.
Daar komt bij: de concurrentie tussen God en mens.
Concurrentie? Die mag er niet – hoeft er niet te zijn!
Hoor de woorden uit de Filippenzenbrief:
‘Bewerkt met een huiver van eerbied uw redding, want, het is God die in
u bewerkstelligt dat u dat wilt en dat ook bewerkt. Dit is overeenkomstig
zijn welbehagen. Filipp. 2 : 12
Geen concurrentie, maar, er is verschil tussen God en ons, in kennis
van de toekomst, de komst van de toekomende wereld.
God weet hoe zijn Koningsregering tot voltooiing komt, wij weten dat niet,
maar Hij wel, en Hij wil ons daarbij inschakelen: bewerkt dat via ons,
door middel van ons.
Wij mogen Gods mede-arbeiders zijn – en dit is de hoogste vorm van liefde
jegens ons.
Maar hoe is het met die verongelukte motorrijder?
Heeft God hem liefgehad ...?
Het gaat er niet om of hij een gelovig christen was.
De God van het bijbelse Israël is nu een God van alle mensen. Hij wil
dat alle mensen behouden worden.
God had de motorrijder lief, want ook deze man heeft van de allerhoogste
God verantwoordelijkheid gekregen. Verantwoordelijkheid voor zijn eigen
lichaam, voor zijn familie en overige relaties.
Door roekeloos gedrag heeft hij Gods liefde versmaad, zodat hij niet meer
een werktuig in Gods hand kon worden. Een instrument in Gods hand, waarschijnlijk
zonder dat die man het besefte, maar toch.
Ook mensen die wij gemakshalve ongelovigen noemen, gebruikt onze God voor
de ontplooiing van zijn Koningsregering.
God heeft ons lief, maar het gaat bij zijn liefde er niet om, dat Hij
ons aardig vindt.
Hij geeft u en mij verantwoordelijkheid. En, meer nog dan een liefhebbende
aardse vader, geeft Hij ons de kracht om mede-arbeiders te zijn.
Want Hij weet dat wij stof zijn.
God kent mij beter dan dat ik mijzelf ken. Dat hoort bij de trouw waarmee
Hij zijn verbond gestand doet en zijn belofte nakomt. De alwetendheid
komt zo in het kader van het heil te staan.
Nog iets, maar heel belangrijk: Gods liefde en voorkennis gaat allereerst
naar Christus uit.
De evangelisten Matteus, Lukas en Johannes zeggen het: niemand weet wie
de Zoon is dan de Vader, niemand weet wie de Vader is dan de Zoon.
Het klinkt nogal afstandelijk, maar, we horen direct daarna: en aan wie
de Zoon het wil openbaren.
Openbaren aan u en mij, want wij zijn hier onder het Woord van God en
wij zijn het Lichaam van Christus.
Om terug te grijpen op de prediking van veertien dagen geleden – Gods
aanwezigheid is allereerst in Christus!
We beseffen dat we, juist als christen, verantwoordelijkheid hebben. Op
grond van Gods aanwezigheid in Christus zijn wij immers tezamen het Lichaam
van Christus: dat is de Kerk.
Gods voorwetenschap en wil zijn toekomstgericht.
Niet wijzelf hebben onze toekomst in de hand, Hij is het die onze plaats
en bestemming bepaalt.
Dat is de juiste uitleg van wat Gods liefde voor ons is.
De Kerk mag hopen en vertrouwen op Gods toekomst, maar, daarin hebben
wij onze verantwoordelijkheid te dragen.
Verantwoordelijkheid in een tijd die vol moeilijkheden en problemen is.
Daarbij onze eigen twijfels en moedeloosheid.
Het kwaad kan ons soms verbijsteren; we weten er meestal geen raad mee.
Komt dat omdat we niet weten hoe God daar mee omgaat?
Het kan helpen om het aan de Allerhoogste over te laten – en daarom zingen
wij ‘God gaat zijn ongekende gang' Lied 943
ELG Zierikzee, 12 juli 2026
