Preken over teksten uit de klassieke lutherse pericopen


Onder het pijltje kunt u scrollen

hiernaast kunt u een periode kiezen

De preken op deze website zijn gerangschikt volgens de klassieke lutherse indeling van het kerkelijk jaar. Kies een tijdvak in de lijst en klik op de knop.

Hieronder volgt een recent gehouden preek.


DANKBAARHEID
BIJ ZIEKTE EN GENEZING

De verkondiging
op de Veertiende Zondag na Trinitatis


God de eer geven
Lukas 17:18


De Evangelie lezing van deze zondag, de 14de na Trinitatis, bevat zoveel bijzonders, dat je zou kunnen zeggen: het is een bron voor onze liturgie en voor onze geloofsbeleving.

Wat de liturgie betreft: in deze evangelielezing vinden we het samenstel van Kyrie en Gloria. De tien melaatsen roepen: ‘Heer, ontferm u over ons.'
Dat is wel de beste vertaling, beter dan ‘Heer, heb medelijden met ons.' Het woord medelijden komt niet boven de menselijke maat uit. Maar ontferming, dat is wat wij van de Heere-God mogen verwachten. Daarom zingen wij: Heere-God ontferm U.

En dan het Gloria. Eén van de 10 melaatsen keert terug tot Christus, en hij zingt als het ware het Gloria. Het hoort er bij, dat Gloria. Laat het zo zijn, dat in de Veertig dagen voor het Paasfeest dat Gloria niet wordt gezongen – maar, dan zou het gezond zijn, liturgisch gezond zijn: dat we het missen. Kyrie en Gloria horen bij elkaar.

We gaan eens te rade bij Luther, hoe hij daarmee omging. Luther had geen opgeruimd karakter, hij was bepaald geen vrolijke persoonlijkheid. Veel te lijden had hij van aanvechtingen, hij voelde zich regelmatig belaagd door de duivel.
Als er één aanleiding had om Kyrie te roepen, dan was hij het wel. Luther deed dat ook, maar dikwijls ging hij muziek maken: liederen zingen vol blijdschap des geloofs.

Het lijkt zo tegenstrijdig, maar toch: omdat hij in zijn geloof werd aangevochten, en tot twijfelen verleid, kwam hij door het maken en zingen van geloofsliederen weer tot rust en blijdschap. Het hoort als het ware bij elkaar: Kyrie roepen in de benauwdheid van de twijfel en Gloria in ruimte van de blijdschap.

Het verhaal van de reiniging en de dankbaarheid van de tien melaatsen gaat over ziekte die in die tijd niet te genezen was met medische kunde.
Ongeneeslijke ziekte bestaat nog steeds.

Er zijn gelovigen, bijeenkomend in jonge kerkelijke gemeenschappen, die willen het woord ‘ongeneeslijk' niet horen. Er is toch genezing? Jezus geneest!
Hoe komt het dan, dat in zoveel kerkelijke gemeenten geen dienst der genezing is?
Is het écht noodzakelijk dat een kerkelijke gemeente, een dienst der genezing heeft?
Bij Luther, in zijn geschriften, vind ik dat niet. Nergens zegt hij, dat een dienst der genezing verplicht is.
De kenmerken van de ware Kerk zijn, zegt Luther, dat het Woord Gods zuiver gepredikt wordt en de Sacramenten op juiste wijze worden bediend.
Doop en Avondmaal, en misschien ook de Biecht. Maar niet meer dan die drie.
En zeker geen verplichte dienst der genezing.

Luther, en vele tijdgenoten, waren diepgelovige mensen en zij leden aan velerlei ziekten en kwalen. Nooit heb ik hen horen zeggen: omdat wij geloven móeten wij genezen worden en ook zelf genezingen kunnen verrichten.

In de vorige eeuw, vlak na het jaar 1900, kwam er heel veel aandacht voor genezing door het gebed. In de pas opgerichte Pinkstergemeenten bloeide de dienst der genezing. Dáár wil ik niks tegen inbrengen, maar wel heb ik moeite met de klem die op ónze Gemeenten werd gelegd: dat, als wij een zuivere kerk zouden zijn, er bij ons ook wel wonderbare genezingen zouden zijn.

Laat me u iets vertellen. Nog niet zo lang geleden was er een mevrouw in de Alblasserwaard ernstig ziek en de diagnose was: ongeneeslijk.
Zij was lid van een streng reformatorische kerkgemeenschap.
Op advies van een vriendin bezocht zij kerkdiensten van een nieuwe, jonge geloofsgemeenschap. Daar werden zieken, zelfs zeer ernstige, genezen door gebed en handoplegging.
Die mevrouw zocht daar haar toevlucht.
Voor haar werd ook vurig gebeden en zij ontving de handoplegging.
En zowaar, de tumor en de uitzaaiingen verdwenen uit haar lichaam. Zij was genezen en jubelde van dankbaarheid. Die nieuwe jonge geloofsgemeenschap was nu alles voor haar, nooit kwam zij meer terug in die strenge kerk in de Alblasserwaard.

Hoe was de reactie van de kerkgangers daar in de Alblasserwaard?
Een reactie van droefenis en teleurstelling: ‘Hebben wij niet een paar jaar, toen zij zo ziek was, zorg voor haar gedragen? Haar bezocht en bemoedigd, ook veel gebeden voor haar, en haar geholpen met allerlei praktische zaken?
Is dat nu allemaal niks meer waard, omdat, volgens haar, zij ergens anders genezing heeft gevonden?'
Ja, waar is de dankbaarheid? Of anders gevraagd: waarvoor zouden wij dankbaar moeten zijn?
Enkel voor een genezing?
Mij dunkt: dit is wat er aan schort bij die negen genezen melaatsen.
Jezus gunt die negen melaatsen hun genezing, maar toch... . Wat hij bij hen mist, is de oprechte dankbaarheid; én : het respect voor God en Jezus.

Die tiende komt terug.
Je zou kunnen zeggen: hij maakt zijn genezing ondergeschikt aan de genezer – en dat is Jezus.
Daarom is het Evangelie hier: de genezing is niet het belangrijkste; God en Jezus zijn degene naar wie onze dankbaarheid moet uitgaan. Dankbaarheid, dat Christus in het middelpunt van ons leven staat, ook al zijn we ongeneeslijk ziek of wanneer we genezen zijn.

Zieke mensen zijn er, u kent ze, ik ken ze, zieke mensen die toch dankbaar zijn. Dankbaar voor de vele blijken van genade. Waarom moet genade persé maximaal zijn, waarom moet er beslist genezing zijn en is het anders niet goed? Wat kunnen sommigen toch dwingelanden zijn, daarbij onachtzaam, niet ziende hoe krachtig de Heere-God in hun leven aanwezig is?

Ok al zijn wij diepgelovig, wij krijgen nooit de absolute garantie dat wij zonder lijden zullen zijn.
Het mooie is dat het vertrouwen er al mag zijn wanneer wij in tegenspoed en ellende zitten.
Hoor hoe de tien melaatsen een opdracht krijgen van Jezus. Ze krijgen die opdracht terwijl ze melaats zijn.
Ze moeten naar de tempel gaan, waar priesters ook het werk van een dokter uitoefenen: door zo'n priester moeten ze zich genezen laten verklaren.

Maar: die opdracht van Jezus moeten ze vervullen terwijl ze nog melaats zijn. Zij hebben vast wel een ogenblik gedacht: ja maar, die priester ziet ons aankomen, wij zijn toch nog melaats... .
Toch zijn ze gegaan.
En dat is een daad van vertrouwen.

Een daad van vertrouwen, een leven van vertrouwen,
ook al is het een leven van ziekte en naderende dood.
Die mevrouw in de Alblasserwaard moet dat leven van vertrouwen toch ook eerst gekend hebben.
Eerst, in haar tijd van ongeneeslijke ziekte, toen haar mede-gemeenteleden om haar heen stonden?

Hoe beoordelen we die negen melaatsen die genezen waren? Veroordeelt Jezus hen?
Dat kun je niet stellen, maar een feit is dat hij teleurgesteld is.
Volgens het evangelie-verhaal zegt hij: ‘Waar zijn de negen anderen? Waar zijn ze, om God de eer te geven?'
Stel nou dat hij later één van die negen ontmoet had en dat alsnog gevraagd had.
Ik weet zeker dat de ene melaatse direct zich in de verdediging zou hebben verschanst... .
‘Ja maar, Jezus, ik ben wel dankbaar hoor...!'
Wij noemen dat: mooi praten achteraf.
Jezus zegt dat niet, want dat past niet bij hem.
Geen veroordeling; hij houdt het op woorden van verwonderde teleurstelling.

Nog belangrijker, neen, zelfs wezenlijk is, dat volgens het evangelieverhaal Jezus de dank en de eer niet naar zichzelf toehaalt.
Hij is teleurgesteld, zoals er hier, denk ik, ook wel geweest zijn of nog zijn.
U bent vast wel eens teleurgesteld in uw zoon of dochter.
Heel veel voor uw kind gedaan, maar een woord van dank kon er niet af.
Uw zoon of dochter koos een eigen weg, wilde het huis uit, nam eigen standpunten in.
Wat is dan wijs en verstandig?

Als vader of moeder hoeft u niet alles te slikken van een kind, maar... dankbaarheid kunt u niet afdwingen.
Een oprechte relatie, een eerlijke band kent ook vrijheid.
Kijk naar Jezus in het evangelieverhaal.
Hij is teleurgesteld, vraagt over die negen afwezigen: waar zijn ze, waar is hun dankbaarheid?
Maar, het gaat hem niet om zijn eigen eer.
We kunnen dat horen uit de slotwoorden over dankbaarheid. Jezus zegt:
‘Waar zijn de negen anderen, om terug te keren, om God de eer te geven?'
Om God de eer te geven... !
Even geleden zei ik: Jezus haalt in dit evangelieverhaal de dank en de eer niet naar zichzelf toe.
Hij dwingt geen dankbaarheid voor zichzelf af.
Hij laat los, zet mensen in de vrijheid.
Hij spreekt tot die teruggekeerde: ‘Sta op, ga heen.'
Dat zegt hij ná de woorden: ‘Uw geloof heeft u behouden.'
Anders gezegd, maar hetzelfde: uw vertrouwen is uw redding.
Je zou denken, dat slaat op de genezing.
Maar nee, dat ziet ook op de tijd daarna.

Dit slot, deze woorden: ‘Sta op, ga heen,' ze kunnen niet zonder vertrouwen.
Daar horen wij ook, welk gezag dit genezingsverhaal voor ons heeft.
Al bent u genezen, al bent u niet genezen – ja zelfs de vergeving van zonden – het is allemaal geesteloos. ‘Sta op,' zegt Jezus, ‘blijf daar niet in hangen.
Ga heen, het leven in. Eer God in jouw daden en in jouw woorden.'

Hier is het begin, in de liturgie, en daarom zingen wij verzen om onze Heer te eren, de God die het Kyrie hoort, de God die zich ontfermt over hen die in de dood liggen en bij de doden zijn,
Hem komt de eer toe !

Lied 869 : 4, 5, 6, en 7

ELG Zierikzee, 6 september 2026


In het lutherse geloofsleven wordt de Christus Jezus aanbeden als de enige op wie wij vertrouwen.
Er is een gezangregel die luidt:
Christus mijn Heer op U alleen
stel ik al mijn vertrouwen.
Buiten u immers is er geen
grond waar ik op kan bouwen.
Wat is de wereld ongewis,
van al wat werd geschapen is,
niemand en niets met mij begaan.
Ik roep u aan, enige die mij bij kan staan.

Liedboek voor de Kerken Gezang 407:1
Dit gezang is niet opgenomen in het nieuwe liedboek