Preken over teksten uit de klassieke lutherse pericopen


hiernaast kunt u een periode kiezen

De preken op deze website zijn gerangschikt volgens de klassieke lutherse indeling van het kerkelijk jaar. Zie de lijst hier rechts, gebruik het kleine schuifbalkje en klik op een tijdvak.

Hieronder volgt een recent gehouden preek.

ONNOZELE KINDEREN VAN BETHLEHEM

De verkondiging op de
Martelaren-gedachtenis, 28 december 2025

Jeremia 31:15-20
Mattheus 2:13-18


Onnozele Kinderen van Bethlehem – of Onschuldige Kinderen, om een hedendaags woord te gebruiken – hen houden wij vandaag in gedachtenis.
Het is op een vaste dag, 28 december. Deze gedachtenisdag was er al in de Vierde Eeuw, in de kerken van het Oosten, en in de Vijfde Eeuw ook in Rome.
Alleen daarom al heeft deze dag een plaats op de lutherse liturgische kalender.

Maar: wat zou uw eerste reactie kunnen zijn, dat deze martelaren-dag nu aan de orde is? En wat vindt u van de evangelielezing op deze zondag?
Moet dat nou, in deze feestelijke tijd? Een martelaren-dag? Het is toch Kerstfeest?
De oudchristelijke Kerk heeft daar ánders over gedacht. En: deze dag is, in zijn soort, niet de enige; op de tweede Kerstdag , op 26 december al, wordt de martelaar Stephanus in gedachtenis gehouden.

Op deze twee dagen vieren wij ook het het Hoogfeest van Christus' geboorte. Deze twee dagen spreken ook van geboorte.
Wist u, dat het sterven van een martelaar beschouwd werd in de oudchristelijke Kerk als een nieuwe geboorte? Het sterven als doorgang naar een nieuw leven: een leven bij God.
Zo bad Stephanus, vlak voor zijn martelaarsdood, de woorden: ‘Heer Jezus, ontvang mijn geest.'
De pasgeboren kinderen in Bethlehem konden niet bidden, maar de oudchristelijke Kerk was er van overtuigd, dat ook hun geesten bij God geborgen waren. Zo snel al dood, door het zwaard, en toch herboren tot een nieuw leven.

Kunt u vanuit deze twee martelarendagen terugkijken op de eerste dag van het Hoogfeest van Christus' geboorte?
Als u daartoe bereid bent en dat kunt, dan stijgt uw kerstfeest vieren ver uit boven de sfeer, de warmte en de gezelligheid. O ja, die mogen er allemaal zijn, ze zijn u en mij van harte gegund.
Maar nu, hier, in onze Liturgie, staan wij in de traditie van de oudchristelijke Kerk. De Kerk, die in de eerste eeuwen geleden heeft onder zware vervolgingen. Het Hoogfeest van Christus' geboorte kon soms ternauwernood gevierd worden. Het martelaarschap, vervolgingen en lijden, werden niet verdrongen, in de zin van: nu is het feest, nu even niet denken aan de martelaren.
Martelaren, jawel, maar laten we daar wel op zuivere, dus evangelische, manier over spreken.
Er is een uitgangspunt dat in z'n soort niet slecht is, maar dat toch niet evangelisch is.

Dat uitgangspunt hoor je wanneer men zegt: ‘Kinderen zijn zo vaak het slachtoffer in deze wereld. Denk eens aan de kindermishandeling en de kinderarbeid.' Ja, hoe erg is het, dat kinderen dikwijls slachtoffer zijn van machtsmisbruik van de volwassenen.
Maar, voor dit soort algemeenheden hoeven wij niet naar de kerk te gaan. Bidden voor zulke kinderen is nodig, maar het evangelie is meer dan dat.

Hoe geven we de Onnozele Kinderen een goede, evangelische plaats op het Hoogfeest van Christus' geboorte?
Wat is de prediking die hoorbaar is uit het martelaarschap van de Onnozele Kinderen te Bethlehem?


Het enige goede, evangelische uitgangspunt is: het Christuskind. Op het hoogfeest van Kerstmis staat hij in het middelpunt, en dan ook vandaag. De eersten die hem verkondigd hebben, zijn de apostelen en evangelisten. Zij hebben in die verkondiging woorden gebruikt die ze al kenden, uit gewijde boeken die wij het Oude Testament noemen. Ook gaven zij aan de geboren Christus titels mee die eveneens uit deze boeken kwamen. Bevrijder, vredevorst en zo meer. Denk ook aan de hoogheidstitel: ‘Koning der koningen en Heer der heren.'

De evangelist Mattheus heeft zijn verhaal over de kindermoord te Bethlehem geschreven met behulp van het Hebreeuwse tweede bijbelboek, Exodus. Dat boek beschrijft de angst van de koning van Egypte, de Farao. De Farao, bang dat zijn Hebreeuwse slaven te veel in aantal zouden geboren worden, gaf een gruwelijk bevel. Elk pasgeboren Hebreeuws jongetje moest gedood worden, in de rivier de Nijl geworpen.

Mattheus werd geïnspireerd door dit verhaal. Onder die inspiratie heeft hij geschreven over de geboorte van de Christus Jezus, als een hachelijke gebeurtenis, onder grote risico's.
Die risico's lagen hoofdzakelijk in de personen van twee machthebbers: de keizer van Rome en diens vazal, koning Herodes.
Over deze twee potentaten spreken wij ook op de Gedachtenisdag van de Onnozele Kinderen van Bethlehem – en denkt u niet dat dit een geschiedenis-lesje gaat worden. Wij spreken immers nog steeds over enkele leiders van zeer grote landen met woorden van afkeuring en afschuw.
Is het niet een hoge uitzondering wanneer een land oprechte en kundige bestuurders heeft?
De kerkvader Augustinus noemde de Romeinse keizer en diens bestuur: ‘een bende rovers...'
Dit moeten wij onthouden bij het horen van de evangelielezing van deze martelarengedachtenis.

Ongetwijfeld heeft de evangelist Mattheus bij die Egyptische Farao van eeuwen geleden, gedacht aan de Romeinse keizer van zijn tijd.
Maar vers in het geheugen lag de vazalkoning Herodes, handlanger van de keizer. Mattheus wordt geïnspireerd om Herodes te beschrijven als een tweede Egyptische Farao. Eén die Gods regering onmogelijk probeert te maken. Herodes heeft het gemunt op het pasgeboren Christuskind.

Ooit moest de bevrijding van de Hebreeuwse slaven, de vrijheid van het Joodse volk, verhinderd worden.
Nu, zo bedoelt Mattheus het, nu verhinderen de keizer van Rome en zijn vazalkoning Herodes – nu verhinderen zij de vrijheid van de wereldvolkeren.
Dat doen zij door te proberen, de Heiland, de Zaligmaker van de wereld, juist uit de wereld weg te werken.

De evangelist Mattheus beschrijft koning Herodes als tegenkoning van het geboren Christuskind.
Een anti-koning, tegen de Christus.
Net als de Farao van Egypte was koning Herodes bang,
bang om zijn koningschap over de Joden kwijt te raken aan een jonge, nieuwe koning... .

De evangelist Mattheüs verkondigt ons de geboorte van de Christus Jezus, in wie Gods koningschap nabij gekomen is. Begrijpelijk dat een anti-koning zich roert en een aanslag op alle pasgeboren jongetjes in Bethlehem niet schuwt.
Wij zouden zo'n verhaal niet schrijven, maar voor de evangelist is het een schrille verwijzing naar de tegenstand die de geboren koning der koningen en Heer der heren oproept.
Het verdoezelt de wrede gevolgen van deze tegenstand niet. De slachting van de onnozele kinderen, als een verwijzing naar de voortgaande confrontatie, een harde botsing tussen de doorbraak van Gods koningsregering en de hardnekkige, taaie vasthoudendheid van de machtswellustige overheden van deze wereldeeuw.
Daarom kunnen wij beter thuishoren bij de Onschuldige Kinderen, want dan bezondigen wij ons niet aan machtsmisbruik en bloedvergieten.

Wij willen toch niet thuishoren bij de allergrootsten van de wereld? Eén van de machtigsten is in deze dagen voortdurend in het nieuws. De Epstein files. Die documenten komen nu openbaar en daaruit blijkt dat hij, op middelbare leeftijd, zich heeft vermaakt met hele jonge vrouwen. Vlak voor zijn herverkiezing bralde hij, dat hij vrouwen het liefst vastgreep bij ... nee, hierover spreek ik niet.... .

Laten we bij het Evangelie blijven. Jezus wil thuishoren bij de allerzwaksten, bij hen die zich niet kunnen verdedigen. In zijn tijd waren dat ook de kinderen, zij die kwetsbaar waren, vaak jong stierven, zichzelf niet konden handhaven.

Eens waren zijn leerlingen aan het bekvechten over wie van hen toch wel de grootste, de meeste zou zijn.
Jezus wil hen corrigeren.
Hij wil hun duidelijk maken dat ze met die instelling onmogelijk deel kunnen hebben aan Gods koningsregering, laat staan binnengaan in zijn Rijk.
Hij roept een kind, zet dat in hun midden.
‘Gods koningschap moeten jullie ontvangen zoals een kind dat doet. Wat heeft onze Heere-God aan jullie, wanneer jullie zelf jullie macht oprichten, jullie verheffen. Je kunt alleen maar deelgenoot zijn van Gods koningsregering wanneer je je eigen zwakheid en kwetsbaarheid erkent; als je wilt thuishoren bij een kind als dit.
Je bent niet machtig om je eigen kwaad en neigingen te beteugelen. Kijk naar dit kind, het staat met lege handen, alleen zo kun je Gods koningschap ontvangen.

Moeder Maria had het al gezongen, in haar Magnificat, haar lofzang: ‘Zij die waanden in hoogheid te zetelen, die heeft de Heer van hun troon gestoten. Maar de eenvoudigen heeft Hij verhoogd.'
De eenvoudigen – dat zijn niet simpele, ongeleerde mensen. De eenvoudigen, daarachter zit het Hebreeuwse woord voor zwakken, machtelozen, zij de die de eerste klappen krijgen. 'Die Gebeugten,' vertaalt Martin Buber. Daar horen ook de kinderen bij.
Luther heeft gezegd: ‘Waar laat God zich vinden? Niet in de hoogte, niet op de toppen van je geestelijk leven, maar juist in de diepte.'
Dit niet de taal van deze wereld, dit getuigt van het geloof in Gods koningsregering.
Later, voor de rechterstoel van Pilatus, zegt Jezus: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld.'

Pilatus, de procurator van de Romeinse keizer, die de Joden onder de duim moest houden, die machthebber wist niets van de koningsregering van God in Christus. De koning van Pilátus was de keizer van Rome.
Het ging nog verder: de verering van de keizer liep geleidelijk over in de aanbidding van de keizer, als was de keizer een god.
‘Nee!' heeft de oud-christelijke Kerk geroepen. Niet de keizer is God, Christus is God!
Het kleine, kwetsbare, onaanzienlijke, pasgeboren Christuskind, dáárin concentreert God zijn koningschap. Het Christuskind is Immanuel, dat is: God met ons.

Christus is Koning der koningen en Heer der heren.
In hem zien wij met ogen des geloofs, hoe Gods koningsregering zich ontplooit.
Eens, zo beleed de oud-christelijke Kerk, eens zal God de Vader zijn regering geheel onthullen en zijn Rijk vestigen, dat is pas het Koninkrijk.
Dan zullen de kinderen en allen aan hun gelijk, namelijk de zachtmoedigen, de armen, de kwetsbaren, die zichzelf niet kunnen verdedigen, – zij zullen binnengaan in Gods koninkrijk.
Uit Jezus' Bergrede wordt duidelijk dat zij de erfgenamen van de nieuwe aarde zijn. Zij worden genoemd: de armen van geest – dezelfden als de eenvoudigen, de zachtmoedigen

En nu, in deze boze tijden van de wereld van nu?
Jezus spreekt een bemoediging uit, over hen die ooit zullen binnengaan in het koninkrijk der hemelen.
Hij zegt dat engelen hun ten dienste staan. Ze zijn namelijk voortdurend voor Gods aangezicht, om voor hen te bidden.
Ook de discipelen van Jezus moesten zulke engelen worden, de leerschool om een engel te worden begint al in het hier en nu.
Willen wij dat zijn, zulke engelen? Laten we hier eerst beginnen met onze liturgie – liturgie betekent letterlijk: dienst. Dienstvaardigheid begint met de vreugde over de belofte en de voltooiing.
Daarom zingen wij nu over het Christuskind in Bethlehem. Deze Christus is Heer, Hij is overwinnaar !
Zingen wij Lied 506.

ELG Zierikzee, 28 december 2025

Waarom vaste lezingen?

Een vaak gehoorde kritiek: wanneer elke zondag haar vaste schriftlezingen heeft, zullen trouwe kerkgangers nooit prediking uit de volledige bijbel horen

Toch is de keuze van de klassieke liturgisten zo goed, dat alle aspecten van het evangelie aan de orde komen. Bovendien zijn er regelmatig verwijzingen naar de Hebreeuwse bijbel. Zo komt de volheid van de gewijde Geschriften tot zijn recht.