DE OPENBARING AAN JOHANNES

pagina tien

Het woord שְׁאוֹל (sjeool) wordt voornamelijk gebruikt in de profetische boeken en in de Psalmen. Een belangrijke tekst is Psalm 88:5-7.

Psalm 88:5-7

נֶ֭חְשַׁבְתִּי עִם־יוֹרְדֵ֣י ב֑וֹר הָ֝יִ֗יתִי כְּגֶ֣בֶר אֵֽין־אֱיָֽל׃
בַּמֵּתִ֗ים חָ֫פְשִׁ֥י כְּמ֤וֹ חֲלָלִ֨ים ׀ שֹׁכְבֵ֬י קֶ֗בֶר אֲשֶׁ֤ר לֹ֣א זְכַרְתָּ֣ם ע֑וֹד וְ֝הֵ֗מָּה מִיָּדְךָ֥ נִגְזָֽרוּ׃
שַׁ֭תַּנִי בְּב֣וֹר תַּחְתִּיּ֑וֹת בְּ֝מַחֲשַׁכִּ֗ים בִּמְצֹלֽוֹת׃

"Ik word gerekend tot hen die in de kuil neerdalen; ik ben geworden als een man zonder kracht. Vrijgelaten onder de doden, zoals de verslagenen die in het graf liggen, aan wie U niet meer denkt en die afgesneden zijn van uw hand. U hebt mij in de diepste kuil gelegd, in duistere oorden, in de diepten."

Het woord wordt in de Statenvertaling nu eens met 'hel' dan weer met 'graf' vertaald.
De vertaling 'hel' is zonder meer onjuist. In het vervolg kunt u hier meer over lezen. De vertaling 'graf' is niet onjuist, maar soms te zwak. Uit Jesaja 14 blijkt dat het dodenrijk bedoeld wordt.
Buber vertaalt: Gruftreich drunten, Jesaja 14:9.

Jesaja 14:9

שְׁא֣וֹל מִתַּ֛חַת רָגְזָ֥ה לְךָ֖ לִקְרַ֣את בּוֹאֶ֑ךָ עוֹרֵ֨ר לְךָ֤ רְפָאִים֙ כָּל־עַתּ֣וּדֵי אָ֔רֶץ הֵקִים֙ מִכִּסְאוֹתָ֔ם כֹּ֖ל מַלְכֵ֥י גוֹיִֽם׃

"Het dodenrijk beneden is om jou in rep en roer, om je bij je komst te ontmoeten; het wekt de schimmen voor je op, al de leiders der aarde; het doet alle koningen der volken van hun tronen opstaan."

Uit dit vers blijkt ook dat de שְׁאוֹל bevolkt is met רְפָאִים , lett. 'slappen', oftewel schimmen, geestverschijningen, Job 26:5,

Job 26:5

הָרְפָאִ֥ים יְח֘וֹלָ֑לוּ מִתַּ֥חַת מַ֝֗יִם וְשֹׁכְנֵיהֶֽם׃

"De schimmen beven van angst, beneden de wateren en hun bewoners."

waarbij nog opgemerkt kan worden dat de schimmen elkaar kunnen herkennen, zie Jesaja 14:9-10,

Jesaja 14:9-10

שְׁא֣וֹל מִתַּ֛חַת רָגְזָ֥ה לְךָ֖ לִקְרַ֣את בּוֹאֶ֑ךָ עוֹרֵ֨ר לְךָ֤ רְפָאִים֙ כָּל־עַתּ֣וּדֵי אָ֔רֶץ הֵקִים֙ מִכִּסְאוֹתָ֔ם כֹּ֖ל מַלְכֵ֥י גוֹיִֽם׃
כֻּלָּ֣ם יַעֲנ֔וּ וְיֹאמְר֖וּ אֵלֶ֑יךָ גַּם־אַתָּ֛ה חֻלֵּ֥יתָ כָמ֖וֹנוּ אֵלֵ֥ינוּ נִמְשָֽׁלְתָּ׃

"Het dodenrijk beneden is om jou in rep en roer, om je bij je komst te ontmoeten; het wekt de schimmen voor je op, al de bokken der aarde; het doet alle koningen der volken van hun tronen opstaan. Zij allen zullen het woord nemen en tegen je zeggen: Ook jij bent nu krachteloos geworden zoals wij, aan ons gelijk geworden!"

waarin het onderwerp het in vers 9 genoemde מַלְכֵ֥י גוֹיִֽם (koningen der volken) is. Zij begroeten 'collegiaal' de overleden vorst van Babylon.

Er is een andere benadering van de שְׁאוֹל: door de inwoners van de שְׁאוֹל wordt niet meer aan de Heer gedacht, Psalm 6:6,

Psalm 6:6

כִּ֤י אֵ֣ין בַּמָּ֣וֶת זִכְרֶ֑ךָ בִּ֝שְׁא֗וֹל מִ֣י יֽוֹדֶה־לָּֽךְ׃

"Want in de dood is er geen gedachtenis aan U; wie zal U loven in het dodenrijk?"

De Heer ontvangt geen lofprijzing: 'De doden prijzen U niet,' Psalm 30:10, Psalm 115:17, Jesaja 38:18.

Psalm 30:10

מַה־בֶּ֥צַע בְּדָמִי֮ בְּרִדְתִּ֪י אֶ֫ל־שָׁ֥חַת הֲיוֹדְךָ֥ עָפָ֑ר הֲיַגִּ֥יד אֲמִתֶּֽךָ׃

"Wat voor voordeel is er bij mijn bloed, wanneer ik neerdaal in het graf? Zal het stof U loven? Zal het uw trouw verkondigen?"

Psalm 115:17

לֹ֣א הַ֭מֵּתִים יְהַֽלְלוּ־יָ֑הּ וְ֝לֹ֗א כָּל־יֹרְדֵ֥י דוּמָֽה׃

"Niet de doden zullen de HEER prijzen, noch iemand van hen die neergedaald zijn in de stilte."

Jesaja 38:18

כִּ֣י לֹ֥א שְׁא֛וֹל תּוֹדֶ֖ךָּ מָ֣וֶת יְהַלְלֶ֑ךָּ לֹֽא־יְשַׂבְּר֥וּ יֹרְדֵי־ב֖וֹר אֶל־אֲמִתֶּֽךָ׃

"Want het dodenrijk zal U niet loven, de dood prijst U niet; zij die in de kuil neerdalen, hopen niet op uw trouw."

Het allerverst gaat het boek Prediker 9:5 en Prediker 9:10,
Daar staat dat de doden niets meer van het leven weten.

Prediker 9:5

כִּ֧י הַֽחַיִּ֛ים יוֹדְעִ֖ים שֶׁיָּמֻ֑תוּ וְהַמֵּתִ֞ים אֵינָ֧ם יוֹדְעִ֣ים מְא֗וּמָה וְאֵֽין־ע֤וֹד לָהֶם֙ שָׂכָ֔ר כִּ֥י נִשְׁכַּ֖ח זִכְרָֽם׃

"Want de levenden weten dat zij sterven zullen, maar de doden weten helemaal niets; ook hebben zij geen loon meer, want hun herinnering is vergeten."

Prediker 9:10

כֹּ֠ל אֲשֶׁ֨ר תִּמְצָ֧א יָֽדְךָ֛ לַעֲשׂ֥וֹת בְּכֹחֲךָ֖ עֲשֵׂ֑ה כִּי֩ אֵ֨ין מַעֲשֶׂ֤ה וְחֶשְׁבּוֹן֙ וְדַ֣עַת וְחָכְמָ֔ה בִּשְׁא֕וֹל אֲשֶׁ֥ר אַתָּ֖ה הֹלֵ֥ךְ שָֽׁמָּה׃

"Alles wat uw hand vindt om te doen naar uw vermogen, doe dat; want er is geen werk, berekening, kennis of wijsheid in het dodenrijk, waar u heen gaat."

Er zijn ook teksten die spreken over een 'opgetrokken worden' uit de sjeool: מִן־שְׁא֣וֹל , Psalm 30:4.
Dat kan betekenen: bewaard worden voor het sterven. Maar er is meer aan de hand.

Psalm 30:4

יְֽהוָ֗ה הֶעֱלִ֣יתָ מִן־שְׁא֣וֹל נַפְשִׁ֑י חִיִּיתַ֥נִי מִיָּֽרְדִי־בֽוֹר׃

"HEER, U hebt mijn ziel uit het dodenrijk omhooggevoerd; U hebt mij doen herleven vanuit hen die neerdalen in de kuil."

De grens tussen 'boven-aarde' en 'onder-aarde' is niet zo groot, wanneer iemand wordt gerekend tot degenen die in de בּוֹר (de kuil) neerdalen, Psalm 88:5.
Afgezonderd onder de doden, vervolgt die psalm. רְפָאִים , 'slappen', vind je dus ook al in dit leven: mensen die geen kracht hebben, kansloos zijn. Hun vrienden staan van verre, zij zijn outcasts, mogen niet meer in de vergadering komen waar de Heer geloofd wordt.



Iets over mijzelf

Na een dertigjarig predikantschap in verschillende lutherse kerkgemeenten kan ik mijzelf karakteriseren als voorganger en voorzanger

Het voorzangerschap kreeg er in Dordrecht een dimensie bij: mijn plaats als cantor in de Interkerkelijke Schola Cantorum Dordrecht e.o.. Door mijn initiatief is dit gregoriaanse koor in 1984 opgericht.