DE OPENBARING AAN JOHANNES
pagina 9
De 1260 dagen of ook wel 42 maanden duiden op de tijd met ingang van de historische Christus openbaring tot aan de voleinding der eeuwen. Deze καιρός – eigenlijk καιροί (12:14) – is de tussentijd.
Openbaring 12:14
καὶ ἐδόθησαν τῇ γυναικὶ αἱ δύο πτέρυγες τοῦ ἀετοῦ τοῦ μεγάλου, ἵνα πέτηται εἰς τὴν ἔρημον εἰς τὸν τόπον αὐτῆς, ὅπου τρέφεται ἐκεῖ καιρὸν καὶ καιροὺς καὶ ἥμισυ καιροῦ ἀπὸ προσώπου τοῦ ὄφεως.
"En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij naar de woestijn zou vliegen, naar haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten het gezicht van de slang."
Maar καιρός staat ook voor het eindgericht als zodanig: 11:18, onder het zevende bazuinvisioen.
Openbaring 11:18
καὶ τὰ ἔθνη ὠργίσθησαν, καὶ ἦλθεν ἡ ὀργή σου καὶ ὁ καιρὸς τῶν νεκρῶν κριθῆναι καὶ δοῦναι τὸν μισθὸν τοῖς δούλοις σου τοῖς προφήταις καὶ τοῖς ἁγίοις καὶ τοῖς φοβουμένοις τὸ ὄνομά σου, τοῖς μικροῖς καὶ τοῖς μεγάλοις, καὶ διαφθεῖραι τοὺς διαφθείροντας τὴν γῆν.
"En de volkeren waren toornig geworden, en uw toorn is gekomen en het tijdstip voor de doden om geoordeeld te worden, en om het loon te geven aan uw dienstknechten, de profeten, en aan de heiligen en aan hen die uw naam vrezen, de kleinen en de groten, en om te verderven hen die de aarde verderven."
In het verlengde van de καιροί, de tussentijd, ligt de καιρὸς ὀλίγος,
dat is: een kleine tijd. Een kleine tijd die aan satan is gegeven om een
laatste poging te doen, zijn oordeel af te wenden.
De Messiaanse tijd, de tussentijd, draagt reeds de glans van de αἰὼν μέλλων, de wereldeeuw die komt (vert. van הָעוֹלָם הַבָּא, ha’olam habba). Wie in de αἰὼν οὗτος, de wereldeeuw nu (vert. van הָעוֹלָם הַזֶּה, ha’olam hazzeh), gelooft, dat
met Christus' verschijning de messiaanse tijd is aangebroken, is met hem
opgestaan, en heeft daarom in beginsel deel aan het leven van de αἰὼν μέλλων.
Galaten 1:4 zegt, dat Christus ons trekt uit deze tegenwoordige boze wereld:
Galaten 1:4
τοῦ δόντος ἑαυτὸν ὑπὲρ τῶν ἁμαρτιῶν ἡμῶν, ὅπως ἐξέληται ἡμᾶς ἐκ τοῦ αἰῶνος τοῦ ἐνεστῶτος πονηροῦ κατὰ τὸ θέλημα τοῦ θεοῦ καὶ πατρὸς ἡμῶν,
"die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons zou ontrukken aan de tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader,"
Efeze 2:5-7 is een sleuteltekst.
Efeze 2:5-7
καὶ ὄντας ἡμᾶς νεκροὺς τοῖς παραπτώμασιν συνεζωοποίησεν τῷ Χριστῷ, — χάριτί ἐστε σεσῳσμένοι — καὶ συνήγειρεν καὶ συνεκάθισεν ἐν τοῖς ἐπουρανίοις ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ, ἵνα ἐνδείξηται ἐν τοῖς αἰῶσιν τοῖς ἐπερχομένοις τὸ ὑπερβάλλον πλοῦτος τῆς χάριτος αὐτοῦ ἐν χρηστότητι ἐφ’ ἡμᾶς ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ.
"ook toen wij dood waren door de overtredingen, heeft Hij ons met Christus levend gemaakt — uit genade bent u zalig geworden — en heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus, opdat Hij in de toekomende eeuwen de overweldigende rijkdom van Zijn genade zou bewijzen door Zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus."
De levendmaking met Christus heeft een doel: de volle ontplooiing van de αἰὼν μέλλων.
Bij de rabbijnen is de wereldeeuw die komt allereerst de wederopstanding
van het lichaam. Maar in het Nieuwe Testament is er sprake van eerst opstanding
met Christus, of door het geloof, in dit leven, en dan, op de jongste
dag, een opstanding van het lichaam.
שְׁאוֹל en גֵּיא־הִנֹּם HADES en GEHENNA
Er is veel verwarring rondom de begrippen Hades en Gehenna. Uitgangspunt van de bespreking van de uitdrukking Hades is Psalm 115:15-17.
Psalm 115:15-17
בְּרוּכִים אַתֶּם לַיהוָה עֹשֵׂה שָׁמַיִם וָאָרֶץ׃ הַשָּׁמַיִם שָׁמַיִם לַיהוָה וְהָאָרֶץ נָתַן לִבְנֵי־אָדָם׃ לֹא הַמֵּתִים יְהַלְלוּ־יָהּ וְלֹא כָּל־יֹרְדֵי דוּמָה׃
"Gezegend bent u door de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft. De hemel, de hemel is van de HEERE, maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven. De doden zullen de HEERE niet prijzen, noch iemand van hen die in de stilte zijn neergedaald."
Uit deze en vele andere teksten komen we tot de conclusie, dat de hemel de plaats is van
waaruit God regeert, een plaats voorbehouden aan de Heer alleen.
De aarde is de woonplaats van de mensen.
De stilte, de onderwereld, die behoort tot de aarde, is de plaats waar de
doden zijn, zie Job 10:20-22.
Job 10:20-22
הֲלֹא־מְעַט יָמַי יֶחְדָּל יָשִׁית מִמֶּנִּי וְאַבְלִיגָה מְּעָט׃ בְּטֶרֶם אֵלֵךְ וְלֹא אָשׁוּב אֶל־אֶרֶץ חֹשֶׁךְ וְצַלְמָוֶת׃ אֶרֶץ עֵפָתָה כְּמוֹ אֹפֶל צַלְמָוֶת וְלֹא סְדָרִים וַתֹּפַע כְּמוֹ־אֹפֶל׃
"Zijn mijn dagen niet weinig? Laat Hij ophouden en van mij wijken, zodat ik mij een weinig kan verkwikken, voordat ik heenga — en niet meer terugkeer — naar een land van duisternis en doodsschaduw, een land, donker als de stikdonkere nacht, van doodsschaduw zonder orde, en het lichten is er als de donkere nacht."
De dodenwereld is zelfs onder de wateren, die onder de aarde zijn, Job 26:5-6.
Job 26:5-6
הָרְפָאִים יְחוֹלָלוּ מִתַּחַת מַיִם וְשֹׁכְנֵיהֶם׃ עָרוֹם שְׁאוֹל נֶגְדּוֹ וְאֵין כְּסוּת לָאֲבַדּוֹן׃
"De schimmen beven onder de wateren en hun bewoners. Het dodenrijk ligt naakt voor Hem, en het verderf heeft geen bedekking."
In Psalm 88:5 e.v. staan parallel:
Psalm 88:5-7
נֶחְשַׁבְתִּי עִם־יוֹרְדֵי בוֹר הָיִיתִי כְּגֶבֶר אֵין־אֱיָל׃ בַּמֵּתִים חָפְשִׁי כְּמוֹ חֲלָלִים שֹׁכְבֵי קֶבֶר אֲשֶׁר לֹא זְכַרְתָּם עוֹד וְהֵמָּה מִיָּדְךָ נִגְזָרוּ׃ שַׁתַּנִי בְּבוֹר תַּחְתִּיּוֹת בְּמַחֲשַׁכִּים בִּמְצֹלוֹת׃
"Ik word gerekend tot wie in de kuil neerdalen, ik ben geworden als een man zonder kracht, vrijgelaten onder de doden, zoals de verslagenen die in het graf liggen, aan wie U niet meer denkt en die afgesneden zijn van Uw hand. U hebt mij in de onderste kuil gelegd, in duistere oorden, in de diepten."
graf
kuil
duisternissen
diepten
land der vergetelheid
water
en ook:
krachteloos
doden
verslagenen
